'Alanah Rae xxx rea anal british' Suchen - prismaphotocontest.com

Hart GeveuGelt

Review of: Hart GeveuGelt

Reviewed by:
Rating:
5
On 23.03.2020
Last modified:23.03.2020

Summary:

Konkret bedeuten knnte das: Ist im Film zum Beispiel Oralsex zu.

Hart GeveuGelt I.V. VONDELS Video

Analsex - 7 Schritte für die perfekte Analsexvorbereitung

Digitized by Google EEBSTE ZAMG. Door wien de Kamschatdaal, in nacht en ijs yerloren. Bij walvischtraan en vet, yan hut en kleed beroofd. Zweef, als een genius, mij voor; laat mijn gezangen, Geheiligd aan mijn land, het waardigst loon ontvangen!

Dat loon zij, dat elkeen voor 't heil van Holland blaak'! Door schoone daden zich dien eernaam waardig maak'! Den tol betaald, dien elk zijn vaderland moet geven ; 'k Sta grooter dichter dan gewillig d'eerpalm af; 'k Heb aan den pligt voldaan, en daal genist in 't graf.

Met maagdelijke schaamte, en weigerende schreden, Met halfgeloken oog, den aangebeden man 't Verborgen schoon bedekt, maar niet verbergen kan ; Zoo ook onttrok aan ons het voorgeslacht zijn daden : Genoeg was 't wel te doen!

De zwakke windsels aan haar borst en heup ontrukt. Zoo willen we in den roem der Vadren ons verheugen! Ons baden in den glans die op hnn deugden straalt, En juichen in den roem, met zoo veel bloeds betaald!

Wat volk heeft meerder regt zijn voorgeslacht te roemen? Den grond dien 't kroost betreedt, moet elk hun werkstuk noemen.

Beschouw een moeder, die, door kindermin verrukt. Het afgebeden wicht voor 't eerst aan 't harte drukt!

De teedre traantjes kust en indrinkt van de wangen! Zie 't gloeijend moederoog aan 't oog des zuiglings hangen, Daar zij in 't zacht gelaat van 't lief onnoozel wicht De trekjes waant te zien van 's vaders aangezigt!

Zij schijnt niet voor zich zelf, maar voor haar' zoon te leven! Geen vreemde hand mag haar den kleinsten bijstand geven!

Zij voedt, zij kweekt het zelf! En kust het in den slaap met moederlijken lust! Wat hemel wellust ziet gij in hare oogen gloeijen.

Als zij allengs de kracht van 't wichtjen aan ziet groeijen! Als zij voor de eerstemaal den kinderlijken lach. Daar 's vaders trek in zweemt, verrukt aanschouwen mag!

Wanneer ze, staamlend, flaauw, met halfgevormde klanken, Door 't lief onnoozel zoontje, als. Natuur deed niets voor ons, ontroofde ons zelfs haar gunst : Al wat dit land ons toont, is arbeid, vlijt en kunst.

Snelt met mij d'aardbol rond; ziet, hoe, met milde handen, Natuur haar schatten schonk aan Noord- en Zuiderlanden!

Hier roemt de Noorman op zijn eeuwig eikenbosch! Digitized by Google EERSTE ZANG. Dus heeft Natuur elk land met hare gunst beschonken!

Die, hongrend naar den buit, op riet of plompen schreeuwen ; Maar toen Latone daar haar telgen had gebaard, Het kroost van Japiter! De lauwer schoot omhoog, en Delos zag haar' naam Niet meer Asteria verheerlijkt door de faam!

En 't dankbaar Grieksche volk bleef op haar' luister staren. Als Phebus bakermat, verheerlijkt met altaren.

Zoo ook was, Nederland! Geen dijk bedwong den vloed, daar hij, zijn bed ontzwollen, Zijn breede baren over de akkers voort deed rollen!

En 't volk op terpen week; maar toen, in later' tijd. De vrijheid zich dit oord ten tempel had gewijd, Rees 't nieuwe Delos op!

De Maas, de Waal en Lek, in ketenen gekneld, Ontwrongen zich vergeefs het perk, hun vastgesteld! Het edel voorgeslacht dorst, moedig op zijn krachten.

Het woeden teugelen, den god der zee verachten! Wordt hij, met mannenkracht, in 't oude wed gezweept. Dit, voorgeslacht! Thans siert der nimfen rei zich met den bruiloftskrans, En voert den herdrenstoet ten herderlijken dans Op 't juichend veld, verguld door rijpe graangewassen, Waar eertijds rave en meeuw, uit ontoegangbre plassen, Rondschreeuwden naar den roof op d'eeuwig dooden plas, En de aarde, naauwlijks aarde, en onbewoonbaar was.

Wanneer de Lente mij, in de altijd werksche dreven, In mijmrcnde eenzaamheid, met Vondel, rond ziet zweven, Als ik der vooglen zang daar hoor in 't hoog geboomt'.

Het zilver beekje volg, door klaver rijk omzoomd, In 't nedrig boschje dwaal, en, onder eik of linden. Een plegtig eenzaam uur is 't voorgeslacht gewijd; 'k Zink in aanbidding weg, en, 't oog in 't rond geslagen, Digitized by Google EBBSTB ZANG.

Hem 't schaamle kostje schonk, of wegplofte in het riet. Stijg Beemster! Purmer, stijg! Hun brein, dat tot uw nut heel d'aardbol had omvademd.

Schiep 't land dat gij bewoont, den luchtstroom die gij ademt. Zal Hollands volk de deugd der Vadren steeds herdenken.

En dankbre tranen aan hun nagedachtnis schenken. Rijs thans, mijn Zangster! Schiet, denkbeeld! En 't hart der kindren aan der Vadren deugden boeijen.

Door dapperheid alleen maakt zich geen volk vermaard ; Neen! Vergeefs, o Pindarus! Van hem, die 't heilig loof bij Elis weg mogt dragen, In 't zweetend worstelperk, of stuivend wagenkrijt, Zich zelf verwrichtend, in dien dorren, woesten strijd!

En gij, o eeuwge stad! Roem op de helden niet op uwen grond geteeld! Groot waren zij! Zich zelf, op 't puin der aarde, een schandlijk loflied zongen!

In eedier werkingskreits bewoog zich 't voorgeslacht, 't Was groot door wijs beleid, meer groot door deugd en kracht.

Zijn waarde en grootheid kent, zijn eedlen aanleg voelt. De zinlijkheid beheerscht die in zijn' boezem woelt.

Alom waar menschen zijn wordt gij, o Deugd! Zaagt u 'k erken dit, ja, alom in vreemde landen. Toen gij het kenmerk waart dier kloeke waterleeuwen. Het hart des Bataviers aan uwe dienst gewijd!

Dat volk, eenvoudig, kuisch, zoo rein van hart als zeden, Digitized by Google EER6TE ZANG. De Godsdienst in 't gemoed, de waarheid in den mond, Verstrekte 't woord ten eed, dat nooit Bataver schond!

Zoo zacht als fier van aard, en vreeslijk in zijn wapen. Was hij voor huislijk heil, voor stil geluk gesehapen.

De Marser in het Noord aan Hollands kust gevest. Zag de aarde een school der deugd op onzen grond verheven. Gij, droeve balling!

Het kroost van Abram vlugt van Taag en Iberboorden. Van een Jodinne? Waarheen, o Jakobs kroost! Heel de aarde spuwt u uit!

Volg hier der oudren wet, dien hier der Vadren God; En de aard' leer', daar 't u ziet op Hollands grond gezeten, Het onuitroeibaar regt der vrijheid van geweten.

Die 't dorstend weeske laaft, den naakten grijsaard kleedt, En in der armen nood uw' eigen nood vergeet; Waar ge immer schuilplaats hadt, waar ooit uwe outers stonden, Uw schoonste tempels hebt ge in Nederland gevonden.

Ja, heiige Vadren! Geen vrekheid sloot die weg, verloren in den koffer: Neen, onbekrompen gaaft ge een deel den armen af, En dankte God, die u de vreugd van 't schenken gaf!

Uw huizen waren klein : maar om den wees te spijzen. Alom de nooddruft zag voorkomen, of beschermen. Arm waart gij voor u zelv', maar mild en rijk voor de armen.

Wat zeg ik! Gij hebt het voorbeeld aan die volkeren gegeven ; Genoeg was 't voor hunn' roem, van verre u na te streven.

En de armoe sdireit ons nog niet vruchtloos aan om brood. Zaagt ge ooit de ratelslang aan de Afrikaansehe stranden, Op wier gevlekte huid de zonnestralen branden.

Zaagt ge ooit den wreeden boom, op Java's grond ontsproten, Wiens hartaanlokkend blad en breedgespreide loten, Een koele schaduw werpt op 't dorgeblakerd strand?

Rijst op! Daar geestkracht, eer en deugd dien wuflen grond ontvliedt. Gij, godlijk Voorgeslacht! Geen dartle weelde braste, of rinkinkte, op uw' grond!

Wat Scipio's in 't veld, wat Cato's in den raad! Een hulde u weigren daar zich HoUand in verheugt! Gij, groot in staatszorg, zang, geleerdheid, godsvrucht, deugd!

Als vader, vriend, gemaal en vlootvoogd even groot! De Ruiter! Zie, zie ons, knielend op uw graf, in tranen smoren! Dat vrij het krijtgebergte op deugd en grootheid roem'!

Dat, in der volken rei, de Gauler 't eerst zich noem'! Hetzij ze aan Seine, of Theems, of Donau 't licht ontvingen! Maar toon me, o Gauler, Brit of Duitscher!

Knaag aan der Yadren roem, versma hun heldenstukken! Dien roem, een Atlas! Vergeefsch, onnut geschreeuw! Die de Alexanders, die de Cesars evenaren!

De glans, die van hen straalt, schiet ook op 't vaderland. Zwaai dan uw hulde ook toe aan die barbaarsche horden, Door 't Noorden uitgebraakt, en door wier ijzren voet De kunsten snieuvelden, en de aarde kermde in 't bloed.

Hoe schoon de lauwren ook in 't oog eens Cesars blaken, Nooit zullen zij een volk gelukkig, bloeijend maken. En eerbied voor de wet, in tegenspoed beleid.

Zijn paarlen, die een volk met meerder luister sieren. Dan gouden wapendos, en Ma vors eerlaurieren. Europa stemt met u in onzer Yadren lof.

Zwerft gij, als ballingen, verlaten en verstoeten? Neen, neen! De Nederlandsche trouw wordt nog alom erkend ; Nog kermt hier de onschuld niet, vergeten in ellend'!

Nog is de deugd geen spot, de godsdienst pligtenschennis! Het misdrijf kracht van ziel, en de ondeugd wereldkennis.

Een volk, naauw zigtbaar op de grootste wereldkaart! Van waar de luister, die der Vadren hoofd omhulde ; Die voorspoed, die het land met 's werelds schatten vulde?

Van waar die tempelen, die 't oog verbaasd aanschouwt; Het Kapitool aan 't IJ, voor de eeuwigheid gebouwd?

Van waar die grachten, die hier stad aan stad verbinden ; Die dijken, spottend' bij 't gebrul van zee en winden ; Die welvaart, dat geluk, weleer alom verspreid ; Die wijze iuzettingen, die tucht, verdraagzaamheid; Die wondren, die hier 't oog des vreemdlings tot zich troonen, En hem in Nederland een' nieuwe schepping toonen?

Van waar? Waarom, o dichters! Wanneer ge iets edels, iets verhevens schildren moet? Steeds Griek of Romer, als ge iets heerlijks zult vermdden!

Maar waarom ook de deugd van Hambroek niet vermeld? Zoo lang de gele zee zal om Formosa vloeijen, Zal Hambroek's deugd ons hart in eedle drift cmtgloeijen.

Wat zeg ik? Waarom vereert geen zuil dien grooten volksbeschermer? Maar neen! Zijn stalen zijs sloop' vrij der Phidiassen werk, Maaij' steden, volken neer, de deugd blijft altoos leven!

Ze is eeuwig, als Qod zelf, die ze ons heeft ingedreven. Als, dweepend, zich mijn geest met hen durft onderhouwen! Verhef u, zangster! Nog woedde de oude vete!

De haat gloeide in elks hart, en vonkelde in elks oogen! Zoo bijt een vlam in 't rond, door feilen wind bewogen I Slechts Beijling, aan de zij' van Hertog Jan geschaard.

Paarde aan zijn' leeuwenmoed een hart, der menschheid waard'. Niet verr' van Vlissings wal, in Zeelands vruchtbre streken.

Was 't nedrig landverblijf, waar, 't stadsgewoel ontweken. Kan hij 't gewoel van 't hof, en 's Hertogs gunst vergeten.

Zijn ziel is zacht en teer, maar tevens fier, vol stoutheid! Hij heeft zijn hart gevoed in de oefenschool der oudheid. Of zweeft met zijnen geest naar 't vrije Griekenhnd : In 't strijdperk sloeg zijn arm gehede drommen neder, Maar na den strijd was hij de vriend zijns vijands weder: Hij vloekt een burgertwist, die 't land ten puinhoop maakt, 's Volks deugden uitroeit, en 't gevoel van 't hart verzaakt.

Zijn gade en zoon zijn al zijn wellust, ziel, en leven! Zij zijn hem eindloos meer dan ooit een vorst kan geven.

Aan de oevers van de Lek, omkronkeld van de baren, Verheft zich een kasteel, en Beijling zal 't bewaren ; Maar ach!

Jacoba's heer daagt op, en sluit zich om den wal. Zijn heldenmoed ontvlamt den moed der oorlogslieden! En hagelt pijlen op den dun bezetten trans!

De stormram beukt den muur met onverpoosde slagen ; Men rigt de ladders op, en durft een' aanval wagen ; Daar steen en pijl en knods op helm en schilden stuit!

En plast en waadt in 't bloed; de wraak holt onbeteugeld ; Maar ach! Schoon Beijling keeren moet, hij keert in zegepraal, En 't vijandlijke bloed druipt van zijn glinstrend staal.

Nu tast de honger toe met zijn ontvleeschde klaauwen, En spookt door 't holle slot, en doet de kracht verflaauwen. Digitized by Google BBBSTE ZANG. Ik zie die tijgers hem ter slagting henen slepen ; De wreedheid spitst het brein op de ongehoordste straf, En levend moet 's lands held hier dalen in het graf.

Hij hoort zijn vonnis, treedt Jacoba's slaven nader : u Vergun me een luttel tijds ; 'k ben echtgenoot en vader ; n Dat ik mijn gade en kroost nog eens voor 't laatst aanschouw'!

Hij snelt naar Vlissings reede. Daar hem zijn dierbre gd vol hoop en angst verbeidt! Hij komt! Wat smart doorvlijmt zijn ziel, wat gier blijft hem doorknagen.

Als de argelooze gd hem dweept van schoone dagen. Hem vrede en welvaart in het blij verschiet doet zien! Als ze, aan zijn borst geklemd, haar zoonCjen aan hare knien, In moederlijk gevoel verloren en verzonken, Hem van den zegen spreekt, aan haren schoot geschonken, Met wellust, angst en dank hem spreekt van 't nadrend uur.

Waarop zij slaken zal de banden der natuur. En weer haar egd's beeld aan hare borst zal pralen! Wat taal heeft woorden om zijn zielangst dan te malen?

Hij moet haar hooren. Ja, lagchen aan haar zij', met een verbrijzeld hart, Wanneer zijn lieveling, zoo jeugdig en onnoozel.

Hem de uren vlugten doet in kinderlijk gekozel, Of streelend vergt van hem 't verhaal van d'ouden tijd. En blij de vordring toont der kinderlijke vlijt.

Maar, heiige banden der natuur! Is Beijling thans niet vrij! Wie houdt aan roovers, aan verraders ooit zijn woord?

Weet hij niet dat zijn dood zijn gade en kroost vermoordt? Digitized by Google 32 DE HOLLAlfDSCHE IfATIE. Hij weet dit: — maar zijn woord blijft heilig, ongeschonden.

De maand krimpt in, verkort tot dagen, smelt tot stonden. De dag, het uur breekt aan waarop de wraak hem wacht, Waarop hij sterven moet in d'opgedolven' nacht.

Maar hoe zich afgescheurd? Hij zet zich aan haar zij', daar zij hem vurig kust, Terwijl haar gloeijend hoofd op zijnen schouder rust. En 't wichtje, beider beeld, aan hare borst blijft hangen.

En met zijn handjes koost des vaders bleeke wangen. Hij stamelt: u zoo eens God, mijn dierbre echtgenoot! Hij klemt, daar hij dit snikt, zijn sidderende handen Om de aangebeden vrouw een' eed gezworen had Haar levenskracht verstijft!

Zij lacht haar' Beijling aan! Bij zijne liefde en zoon, haar' zwangren schoot, bij God, Dat hij zijn dierbaar hoofd onttrekke aan 't schriklijk lot!

Vergeefs, dat zij hem schetst de vreugd van vroeger dagen, Hem smeekt, bij 't heilig pand, dat ze onder 't hart blijft dragen. Zij hoort hem niet.

Maar schepping, gade en zoon, 't is all' voor haar verdwenen. Digitized by Google TWEEDE IkU. Een hel van water stort hij neer met schriklijk klateren.

En heel de landstreek dreunt van de afgeschoten wateren! Nu golft hij Duitschland door, met trotsche majesteit. Langs rijke dorpen, aan zijn' vruchtbren boord verspreid, Langs bergen, lagchende van Bacchus zegeningen.

En steden, trotsch gebouwd, die zijnen lof bezingen. Digitized by Google TWEEDE ZANG. Wat vindt ge? Onedel en versmaad kruipt hij daar schandlijk voort, Eer zich zijn drabbig nat in 't zand der duinen smoort.

De vreemdeling, die hem langs Cobleuts muur zag golven, Herziet hem hier! Mijn hart, dat voor uw gloeit, uw nadrend lot ontdekken? Allengskens aangegroeid, zaagt gij, uit uw moerassen.

Bij steden van arduin, en tucht, en welvaart wassen. Ge ontwrongt, met jonglingsmoed u 's Ibers overmagt. En bliksemde op de zee in volle maunenkracht.

Aan 't hoofd der volken scheen uw luister elk in de oogen. En hield, gelijk de Rijn, elk' vreemdling opgetogen! De uitfluiting zijn der aard'? Gij, die der volken lot voor de eeuwigheid vermeldt, Geschiedkunde!

Waar ben ik? Die mij bedwelmt, ontroert, mijn hart met siddring treft? Wat gouden lettren staan gebeiteld aan den wand?

Al 't geen mijn hart gevoelt mijn' tijdgenoot doen weten! De traan, die ik hier wij' aan uw gedachtenis.

Is 't offer, dat gij eischt, en uwer waardig is. Verheven Vrijheidszucht! Gij, vlam der Godheid! Gelijk een waterval zieh van de rotsen stort, Daar alles in zijn' val verddgd, vernietigd wordt.

Schoot Gesar met zijn heer van de Alpen op de Gallen! De fiere en woeste Brit, omheind door rots en zee. Een luttel handvol volks weerstond des aardrljks kracht!

Het deed als Bondgenoot van Rome zich erkennen! En toen, in later' tijd, dier roovren euvelmoed Zich wilde mesten met der Batavieren bloed, Was 't eiland eensslags in een vreeslijk heer herschapen!

En vrouwenrei, en kroost, en grijsheid vloog te wapen ; Ja! Digitized by Google TWEEDE ZAlfO. Spreekt Volkeren!

Maar zuiver, onverslaafd, en rein bleef Hollands grond, Waar Vrijheid, deugd, geluk, altoos een schuilplaats vond.

Waar Britsche roem voor zonk, der Gallen luister daalde! Een nietig ondeel op een wereld zegepraalde. Wanneer door d'Oceaan dit land verdelgd zal wezen, Zal 't twijflend nageslacht, wanneer 't de wondren lezen.

De daden hooren zal, op dezen grond verrigt, Ze als fablen schatten, door der dichtren brein verdicht. Gedonderd uit zijn' mond, vloog door 't Escuriaal!

Zelfs de afgrond hoort dien kreet, en braakt zijn helsche spoken I Geweld, verraad, en list, heur kerkers uitgebroken, Bezielen Alva 's hart, die naar deze oorden snelt, Door moord, gewetensdwang en dwinglandij verzeld.

Wie stuit het vloekgedrocht? Wie kan zijn magt weerstaan? Hij maait 'slands eedlen weg, gelijk een landman 't graan!

Wie kan, wie zal d'orkaan in zijne vaart beteugelen? Wie redt thans Nederland, en dekt het met zijn vleugelen? Gij waart het, heldenvolk! Die 't vuige kroost der hel terug stortte in heur' nacht!

Oranje, als 't moedig hoofd der aangebeden vaderen. Elk dringt door 't ijzren spits van Alva's drommen heen! Triomfen dag op dag op d'avondvorst bevochten!

Ge ontgloeidc altoos mijn hart als ik de plaats betrad. Eertijds door 't eerlijk bloed dier godentcelt bespat.

Roemt Grieken! Gij triomfeerdet ; ja, maar op een horde slaven. Ons voorgeslacht bedwong het strijdbaarst volk der aard'! Nu wordt elk stroom of meer voor mij de Egcsche plas!

Waar zou 'k beginnen, waar zou 'k eindigen? Zijn ze onuitwischbaar niet in elks gemoed geschreven? En voelde niet zijn hart van dankbre erkentnis blaken, En zonk niet neer voor God, met tranen op de kaken?

Wiens hart is zoo verstaald, wiens ziel is zoo versteend. Die van bewondring niet bij 't zien van Leyden weent? De stad van Romulus met zijnen knods verplette ; Dat in 't noodlottig uur, de fiere Roomsche raad.

Op d' elpenbeenen stoel, in 't purper praalgewaad. Op 't ledig marktveld, voor 't gezigt der Yadren goden, Stout, onverwrikt, en koel, als offer zich liet dooden : Maar Nederlanders!

Toen Leydens burgerschaar, ten prooi aan hongersnood. Besloot, niet om den dood voor 't Vaderland te lijden, Maar, om voor 't Vaderland tot aan den dood te strijden.

Tot schimmen uitgeteerd, weerstond elk, op den wal, Den honger, list, verraad, en Romen, en 't Heelal! En liever eigen vleesch ten gorgel ingedreven.

Dan zich der Spaanschen wraak ten wissen buit te geven. Snelt Nederlanders! Hoort Maurits daar in 't duin op spaansche benden donderen. Mendoze in ketens sleept voor Hollands zegewagen, En Phlips doet siddren voor der Yadren donderslagen.

Vervult u met den geest der aangebeden Vaderen! Zoo verr' gelouterd goud het koper gaat te boven.

Ja, aller glans verdwijnt in nevlen, mist en nacht. Bij de onverdoofbre zon van Hollands voorgeslacht. In aantal 't gras gelijk, dat voortschiet op de velden.

De menschheid bloost : ik zucht! Als ik een' Attila zie op zijn' zegewagen! Maar 'k voel mijn waarde als mensch! Als mensch deel ik in de eer, die afstraalt van zijn' luister.

Ik voel mijn onmagt : ach! Doorluchte zonen van dien redder dezer landen. Die 't ranke schip van Staat beveiligd hebt voor 't stranden, U, Mavors Maurits!

Tc wil u beiden de offers wijden, Die onze erkentnis op 't altaar der vrijheid biedt. Het offer van ons hart; versmaadt die hulde niet.

Klein, nietig was de magt, waarmede, in de eerste dagen, 's Lands Vaderen den strijd met Spanje dorsten wagen. Zich tot een' klomp vergroot, en ras een sneeuwbcrg wordt, Die, bonzend, dommelend en dondrend neergestort, De rotsen kneust en breekt, van 's aardrijks eeuwge bergen, Het ijs, dat eeuwen lang den zonnegloed dorst tergen.

Verbrijzelt, rotsen splijt, de zuilen van graniet, En bosschen, oud als de aard', verbreekt als siddrend riet, En, als een waterval in d'afgrond neergeschoten, Het klein beginsel toont, daar 't all' uit is gesproten ; Zoo zwak, zoo nietig was de Nederlandsche leeuw, Toen hij in 't strijdperk trad met Spanje, in vroeger eeuw!

Zoo spoedig wies zijn kracht, zoo ras zijn ijzren tanden, Zijn scherp gewette klaauw, nooit strafloos aan te randen! Zijn forsch gebrul drong door tot aan het verste strand!

Toen stondt ge, o Vaderland! Den cederboom gelijk, die met de orkanen lacht ; Toen staakt ge uw fiere kruin vrijmagtig naar de wolken!

En tradt in de achtbre rij der vrijgestreden volken! Niet zwak, niet afgemat, met half verwrikte leen. Maar, als een jonge held, omhuld met krijgstrofeen!

Zweef, waarheid! Wat volk is thans zoo dwaas, zoo hongrend' naar zijn' val, Dat hij, op Mavors veld, uw' leeuw beschimpen zal?

Op Denemarken aait, en trapt het op de lenden. Gij 1 door der Muzen zang voor de eeuwigheid beroemd, Gij!

Hij spreekt! Wie is zoo dwaas, dat hij geen' bliksem zal ontvlieden, Als 't ouderlijk verblijf hem veiligheid kan bieden?

Zoo dol, dat, als zijn g4 hem toelonkt met haar kind, Hij in den storm zich waagt, die 't krakend schip verslindt?

Digitized by Google 44 DE H0LLAKD6CHE NATIE. Gij waagt het, Lodewijk! Schoon de Amstel's Gaulers vlag bij Muidens slot ziet wappren, Staat nog zijn grijze raad tot heil der stad gereed.

En kent geen andre vrees dan 't schenden van zijn' eed : De marmren wanden die het Kapitool omkleeden, Zijn niet meer zuiver dan de ziel dier overheden!

Schoon 't raauw gemeen hen vloekt met opgesparden bek. Zij traden 't oproer en den Gauler op den nek ; Verachten 't volksgeschreeuw, hoe dol ook en vermeten, Sterk door hun deugd, en pligt, en godsdienst, en geweten.

Zoo zaagt ge, o Amstelaar! Toen oproer, toen geweld, met gillend moordgeschreeuw, Toen Kannibalenwoede afschuwlijk raasde en tierde, En dolle plonderzucht langs Amstels grachten zwierde.

Een blij triomflied was, 't welk dankbre erkentnis slaakte. Gij vloodt, toen Xerxes heer verscheen voor uwe stad. Digitized by Google TWEEDE ZANG, 45 Stondt ge, in uw blinde vlugt, den woesten Xerxes af!

De bevende onderdom zwierf door de ontvolkte straten, En doolde uw tempels door, nu eenzaam en verlaten, De Perzen stoven aan, en, van 't naburig strand, Zaagt gij uw graven, stad, en outers in den brand.

En Lodewijk, verschrikt, vlood naar Versailles weder. Uw luister straalt den glans van alle volken blind! Vfat streken zijn zoo woest, wat oorden zoo verloren.

De onschendbaarheid en de eer, geketend aan dien naam, Verkonden dien alom op wieken van de faam I Het eeuwig Noord ziet haar op 't ijsgebergte schijnen!

En de Afrikaan leest ze in zijn gloeijende woestijnen! Het krijtgebergte knielt voor Hollands duinen neer, En 't krijgt uit onze hand een' andren opperheer.

Zaagt ge ooit d'Oripn aan d'onmeetbren hemel blinken. Het minder starrenheer voor hem in 't niet verzinken, Als hij, zijn wolkenspoor opstijgende met kracht, Diane stout betwist den schepter van den nacht!

De schepping overziet, en, met ondoofbren luister. Des hemels wachters velt, of wegschopt in het duister! En hun het eeuwig spoor, betreden door zijn' voet, Verbleekt en siddrend, als zijn slaven, volgen doet?

Toen 't volken kluisterde aan zijn' trotschen zegewagen! Vol jeugdelijken moed Europa wetten gaf. En d'Oceaan beroerde of stilde met zijn' staf.

De tweede Karel sterft: de heerschzucht, losgebroken, Zet gansch Europe in vlam en doet den bloedstroom rooken! Maait volk bij volken weg door 't schriklijk krijgsgeweer l Het Noord stort op het Zuid, het Oost op 't Westen neer!

Gewis niet! Wee hem, die zijn ontwerp tot vree te ontwringen tracht: De grijze Lodewijk herrijst in de oude kracht, Hij zendt zijn heeren af! Versailles gevelspits, die nimmer vijand zag.

Ziet, siddrend, nu voor 't eerst de Nederlandsche vlag. Hoe zal mijn zangster al uw godendaden melden?

Wie telt de vlokken sneeuw, die glinstren op de velden? Wie lelt al de eeuwen op, voordezen heengevlugt, Of noemt het aantal daar de tijd van is bevrucht?

Een zelfde grondtrek was, met onuitwischbre trekken. Wat staatsleer ge ook omhelsde, in uw gemoed te ontdekken : Die grondtrek was de zucht voor 't Vaderland alleen!

In onverstoorbre rust, de kalmte van 't geweten, Die gij thans zeker smaakt in 't zalig zielenveld, Door al wat edel dacht bij de oudheid vergezeld.

Ben ik gewaardigd om het zielenveld te aanschouwen? Schenk gij. En voer gij me in den rei van 't heilig voorgeslacht!

Hier groeit onsterflijk ooft aan dikgezwollen trossen. Het zilver beekje golft door eeuwig groene bosschen, Omzoomd met bloemen, die zich spieglen in 't kristal : Een andre zon beschijnt dit zalig zielendal.

Wier zachte stralen door de olijvenbladren zweven, En, ongevergd, aan de aard' haar schatten op doen geven!

Der jaargetijden loop is nimmer hier bekend. Elk drinkt hier in de vreugd der altijd schoone lent' ; Ja, de aard van alles is hier eeuwig, onverderflijk!

Meer redekracht verkrijgt, en hooger denkvermogen! Wordt schaars zijn wellust door een aardsch begrip gestoord! Hier Zijn zij allen, die, door eerclijke wonden, In 't strijden voor hun land een roemrijk sterven vonden.

En zij, wier helder brein en hoogverlichte geest, Tot wijze orakels in 's lands raadzaal zijn geweest.

Wat rustige oorlogsheld, in zilvren wapendos. Treedt, aan eens grijsaards zij', naar 't gindsche lauwerbosch? Zijn diergestaafden eed aan Hannibal doet hooren!

De Witten naderen met Oldenbarneveld, Van Beverning, van Hooft, van Fagel vergezeld I ü zoek ik niet vergeefs, verbreker van 's volks kluister, o Willem!

Spanjes schrik! Gij, die den god der zee zijn drietand dorst ontwringen. Van daar klinkt hun gezang de lauwerdreven door. Maar ach!

Wordt door het droef besef van 's aardrijks ramp gestoord. Nu zien ze een' dichter uit de lauwerbosschen naderen! Hij leest er in! Op wien 't verrukt Euroop' nog de oogen heeft geslagen.

Onsterflijke De Groot! Ik druk, schoon bevende, 't door u betreden spoor. Maar wie, wie waagt het u te volgen in uw vlugt.

En is niet voor het lot van Icarus beducht? Wie vliegt met d'adelaar langs onnaspeurbre wegen, Zijn prooi in d'ijzren klaauw, de zon in 't aanzigt tegen!

Wie is 't, die Herculus zijn stalen knods ontwringt? Zoo toovert, als de lente, in purpre feestgewaden, Door 't ruim der sehepping zweeft, en de aarde in vreugd doet baden, De teedre nachtegaal in 't statig eikenbosch!

Zijn zang bezielt natuur, op zulk een' zanger trotscb! De maan verdween, geen star blonk aan de hemelbogen; 'k Zag niets : de schepping was voor mij in 't niet vervlogen; 't Scheen dat ik in den nacht, die mij omsluijerd hield, Het eenigst wezen was met denkenskracht bezield, 'k Dacht, Vaderland!

Mijn geest bevond zich in dien staat, waarin 't gevoel De ontvlamde werking der verbeelding strekt ten doel. Ik zocht de schoone stad, waar ik het licht aanschouwde.

Ik klauterde over 't puin, ik zwierf wanhopend rond. Of ik de graven van mijn voorgeslacht hervond!

M Stond hier niet Amsterdam? Zoo schreeuwt de Ghakal thans, zoo rooft nu de Afrikaan Den kreits af, daar weleer Palmire heeft gestaan.

Waar is die marmren stad, die Romes magt dorst trotsen? Is alles wat er rest van de onvergeetbre stad, Die eens Longinus, eens Zenobia betrad.

Toen dacht mijn geest aan U, aan U, vergode Vaderen! Een huivring greep mij aan! Ik zag de duisternis tot tastens toe vergroot; Ik hoorde een flaauw geluid dat rees uit 's aardrijks schoot!

Ik zag door 't duister heen toen flaauw een scheemring breken! De liefde tot mijn land, in mijne ziel gegrift, Ontsteekt mijn' boezem, geeft mijn zangster hooger drift.

Maar wie ondekt mij waar 'k beginnen, einden moet? Wie telt de baren op van d'onafmeetbren vloed? Wat leeuwenmoed!

In ieder' golfslag klinkt de lof van Nederland! Gewis, een godheid heeft de zee voor ons verkoren! Haar tot het lauwerveld voor onzen moed beschoren.

Door Haarlems heldenteelt, als rag, van een gereten. Ja, de ochtend van 'sLands roem voorspelde reeds den dag, Waarop Europe eenmaal zou knielen voor die vlag.

Schoon nog de zon niet rijst aan gloeijende oosterkimmen. Reeds in den bleeken glans, dien hij allengs ziet klimmen, Den zegenrijken dag, waarop, bij 't vreugdgeschal Van 't juichend landvolk, hij zijn schuren vullen zal.

Wier glans ons nog bestraalt van uit den nacht der tijden, Atheners! Van hier, Onheiligen! Ja 'k voel een' eedlen trots, ik voel mijn' boezem zwellen, Daar 'k me als inboorling bij dien heldenteelt mag tellen.

Vloeit verzen! Digitized by Google DEBOB ZANG. Gij, die Neptunus staf, weleer, aan ons geschonken. Met onverzwakte kracht hebt in uw vuist geklonken : Die thans op d'Oceaan alleen de wetten geeft.

Geen' mededinger op den vloed te duchten heeft. En voor wier forsche blik, gesterkt door 't donderbraken, Elk in zijn havens sluipt, met doodverw op de kaken!

Alleen en onverzeld zweeft gij op d'Oceaan, En wee hem, die het waagt uw wet te wederstaan! Groot waart gij, ik erken 't, in de afgeloopene eeuwen.

Toen gij uw krachten mat met Hollands waterleeuwen! Dat hij een' tijger durft bestoken in het woud? Het oog vol vuur, het hart vol moed, zaagt gij ons naderen!

De schrik vloog voor ons uit, de vrees sloeg u in de aderen, Als gij De Ruiters vlag zaagt wappren in 't gevecht. En de overwinning, aan die wimpelen gehecht Van hem.

Europa's schrik, onze eer, en liefde, en wonder. Wat stoft ge? Gij vloodt uw havens in, ontredderd en verjaagd. Zoo tracht het wild, vol angst, een schuilplaats op te sporen, Wanneer der dieren vorst zijn schrikbre stem doet hooren, In 't uur van middernacht, alleen, en onverzeld.

En brullend naar den roof, door Barka's bosschen snelt. De kracht des waterleeuws, dien hij zoo stout braveerde!

Dat vrij een dankbre traan dan vloeije langs uw wang, En dappren Dirkzoons schim aldaar uw hulde ontvang'. En stuiten op beur borst, door vrijheidsmin veriiard, De magt van d'Iber, die Europe eens heeft getart?

En de engel des verderfs waart door de beide vloten! De onleschbre dorst naar bloed bij Spaansch-en Staatsgezinden Wordt sterker, groeit meer aan, hoe meer ze elkadr verslinden.

Beveelt terstond den brand in dorp bij dorp te steken. Waaruit, tot zijn verderf, het bootsvolk is geweken ; Noordholland staat in vlam! Dees waant, dat hij zijn gade in rook en vlam ziet smoren!

Die acht zijn eenigst kind in 't brandend huis verloren. Hij ziet hoe 't ziedend lood op 't hoofd van 't wichtje stort, Hoe 't door een gloeijend bindt' misvormd, verpletterd wordt.

Nu kent de wraak geen perk, elks zenuw staat gespannen! Elk zweert, met luid gegil, den dood aan 's Lands tirannen! Geen strijd is 't, maar een moord!

Digitized by Google DERDE ZANG. Het Staatsche volk behaalt in 't eind' de zegepraal. Bossu, in keetnen, staaft den roem der Staatsche standers ; En de aarde hoort verheugd den moed der Nederlanders.

Gelijk een jonge leeuw, nog nooit ten strijd getogen. Voor 't eerst in 't diepst van 't bosch een' tijger komt voor oogen : Zijn manen rijzen, als hij 't schriklijk ondier ziet.

Dat uit het vlammend oog op hem zijn bliksems schiet : De jonge vorst van 't woud, onkundig van zijn krachten.

Gevoelt zich stout genoeg den tijger af te wachten, Die oprijst, hem bespringt, en, met zijn staal gebit. Hem wond bij wonden slaat ; de leeuw, vol moed, verhit, Ontwikkelt nu zijn kracht, slaat de onbeproefde tanden Zijn' vijand in de borst, rijt, scheurt hem de ingewanden Met ijzren klaauwen op: de tijger, dol van smart.

Wringt vruchteloos zich los ; de leeuw slaat hem in 't hart, En plast en woelt in 't bloed, heeft wond en smart vergeten, En laat niet af, eer hij hem beeft vaneen gereten.

Nu brult zijn forsche stem zijn zege rond door 't woud, En als hij 't lillend rif van 't ongediert' beschouwt. Waarop het Spanjes magt, als kaf, verstuiven zag.

Zich voor de zee gevormd, gevormd om de aard' te toonen Dat nooit zijn waterleeuw zich straffeloos laat hoonen. Die niet met woest getier, onvruehtbre taal of loosheid, Dien achtbren naam misbruikt, tot dekking van zijn boosheid ; Maar die door daden toont, terwijl de noodstorm brult.

Gelijk een diamant zijn stralen schiet in 't duister, Schijnt ook altoos zijn roem met onverdoofbren luister. Uw naam, o Glaasens! Met heilgen eerbied en bewondering herdacht!

Trotsch zijn wij op den glans, die van u af komt dalen! Zoo schenkt het goud meer gloed, verlicht door Phebus stralen. Wie durft dien dappren Zeeuw bestrijden?

Acht schepen, zwaar van bouw, omsinglen thans den held ; Hij staat alleen, maar vast, gelijk een rots 't geweld Der eeuwen, 't woest gebrul des donders fier blijft trotsen, Schoon stormen aan zijn' voet in wilde golven klotsen.

Schoon schip bij schip, met kracht geslingerd op zijn borst, Verbrijzeld henen stuift, staat hij, met kracht omschorst, Belacht het woeden van de orkanen en van de eeuwen; Zoo staat ook Glaasens nu ; de dolle Spanjaards schreeuwen En tieren, daar men hem in eenen kring besluit; Zoo brult het ongediert' der woestenij naar buit.

Men tracht, schoon vruchtloos, hem tot de overgaaf te nopen ; Neen, duur wil hij de zege aan 's lands tiran verkoopen.

Tot d'ongelijken strijd maakt hij zich straks gereed. Nu barst de dood eensslags uit duizend kopren monden ; Zijn masten, zeil en roer zijn ras in zee verslonden ; Digitized by Google DERDE ZANG.

Maar knielend storten zij heur allerlaatste beden ; En Glaasens, daar hij 't hart verheft tot zijnen God, Smeekt voor zijn gade en kroost, in heur ondraaglijk lot : Hij ziet haar wanhoop, ziet haar tranen, hoort haar klagen , Zijn' zoon de moeder naar de komst des vaders vragen!

Hij stoot dit denkbeeld weg, bidt vurig, rijst en zucht. En werpt de lont in 't kruid, en 't schip barst in de lucht!

Rust, ougelukkigen! Vol weemoed blijven we op uw heldengrootheid staren. Schoon gij uw Vaderland, uw erf niet weer mogt zien. De zee uw lijken dekt, een spel der wilde golven.

Uw namen sterven niet : uw roem blijft onbedolven ; Ja vlamt, en schittert hel, en weerkaatst in 't verschiet. Der vlam van 't schip gelijk, waarop gij 't leven liet.

Wij blijven op uw' moed met dankbre aanbidding staren! Rust ongelukkigen! Zweef, zangster! En gij, mijn Landgenoot! Haast zal een gunstige oogst des bouwmans vlijt vergelden!

In de opgedolven voor wierp hij sleehts weinig graan, En ziet thans duizenden van halmen om zich staan, Die ruischen op den wind, het loon van zweet en zorgen.

En staat de stormen door op 't half doorweekte veld. Vergeefs, dat hem het zweet gudst langs verschroeide kaken, Zijn schedel zich verkalkt door 't roostend zonneblaken!

Vergeefs, dat geest, en kracht, en 't hijgend ploegvee zwicht. Hij denkt slechts aan den oogst! Zoo, Nederlanders!

Uit schepen, rank van bouw, uit hulken voortgesproten! Maar 't voorgeslacht zag ras, tot loon der heldendain, Zijn vloten, wijd en zijd, de onmeetbre zee beslaan.

Als halmen 't vruchtbaar veld des nijvren landbeploegers : Niets wederhield deq moed van Hollands waterzwoegers!

Ze ontzagen geen gevaar, geen koude of zonnegloed! Zij dachten aan den oogst! De Noordpool school vergeefs in nare schemeringen, 's Lands vloot wist door dien mist en nevel heen te dringen.

Beklim met mij dit duin, zie van zijn hoogte neder, En roep daar, nevens mij, de vorige eeuwen weder. Digitized by Google DERDE ZAIIG. Cl Hier in uw grootheid mij verliezen!

Een wolk van zielen stroomt de schepen te gemoet! Ik hoor het zegelied! De Nederlandsche vlag, fier op haar zegepraal, Golft onverlet en vrij bij 't buldren van 't metaal!

Vier dagen streed 's lands Held om de oppermagt der golven ; Vier dagen was de zee in rook en vlam bedolven ; Vier dagen beefde de aarde en zee van 't krijgsgerucht ; Ja 't scheen dat de Etna, aan Sicieljes strand ontvlugt, En, vlottende op de zee, zijn sulfervlammen slaakte, En stroomen vloeibaar vuur uit zijnen afgrond braakte ; Maar uit die hel van vuur, dien schrikbren zwavelgloed.

De zee, door Ruiters arm ontslagen van haar boeijen. Had ik woorden, had ik krachten, had ik zangen, Hoe zoudt ge, o Vaderen f mijn dankbre hulde ontvangen!

Maar wie schetst Heemskerk ons, die naar de Noordpool streeft. Door vuur en ijsschots boort, en bij Gibraltar sneeft! Wie Kortenaar, wiens vuist voor ons de Soüt ontsloot; Piet Hein, den winnaar van des Ibers zilvren vloot, Die aan Brazidjes kust op Spanje zegepraalde, Een' oogst van lauwren won, en met zijn bloed betaalde!

En opvloog in de vlam van 't barstend zeekasteel! Wie voelt zijn onmagt niet, wanneer hij in zijn zangen Den lauwer bij het graf der Trompen op zal hangen!

Wat Godlijk heldenvolk! Hier nadert Evertsen! Voelt d'adeldom des stams, waaruit gij zijt gesproten. Tasso doet der Christenen ooren na hem luisteren, terwijl hy Buljons Christelijcke dapperheit voor Ierusalem zingt.

A3r ] Het en is oock de reden niet ongelijck, dat onze eige zaecken ons meer ter harten gaen, dan die van vreemden en uitheemschen. Ick vermat my verwaendelijck dit uwe Exc.

A3v ] baensche dochter in gevangenis, en onlangs by den degelijcken Iosef in ballingschap geteelt, en van ons, zoo wy best konden, op het Nederduitsche tooneel gebragt, tot stichtelijck vermaeck dezer loflijcke burgerije, en van alle eerlijcke lieden.

Wy vertrouwen dat dit uwe Exc. Ick offer dan uwe Exc. Omhels hem uit medoogen, die eer medoogen dan gramschap waerdigh is, en leef lang ter eere van uw Vaderland.

VOORSPEL van GYSBREGHT VAN AEMSTEL, aen Schout, Burghemeesters, Schepens, en Raed van Amsterdam. Op den nieuwen Schouwburgh. Aen den Raedsheer NIKOLAES VAN KAMPEN.

Dezen, van Gijsbreght ondervraeght, werd het leven geschoncken, en belast het rijsschip, genoemt het Zeepaerd, waer in het puick van ridderen en knaepen, en de bloem der krijgslieden met den reus verborgen lagen te helpen inhaelen.

Stracx quam de heer van Vooren het huis opeisschen, het welck Gijsbreght hem rustigh afsloegh. Gijsbreght van Aemstel doet de voorrede.

De Reien bestaen uit Amsterdamsche maeghden, edelingen, Klaerissen en burghzaten. GYSBREGHT van AEMSTEL.

HET EERSTE BEDRYF. Gysbreght van Aemstel. HET TWEEDE BEDRYF.

October 31, am. The guy is totally nuts. Archived from the original on June 21, The Boston Globe. Janine hat sich Hals über Kopf in den Wohnmobilunternehmer Alex verliebt, der gleichzeitig ihr Chef ist. Doch der ist bereits verheiratet und erwartet mit se. The film tells the story of a rational lawyer who begins a discussion with a girl that claims to be the owner of the sun. Richard Bruce Cheney (/ ˈ tʃ eɪ n i / CHAY-nee; born January 30, ) is an American politician and businessman who served as the 46th vice president of the United States from to under George W. Bush. Of course, repeating time loop episodes are nothing new to Trek, but the way it was handled in this episode with the introduction of the cat-and-mouse game never felt like this was a repeat, of. Schon wieder ist ein Monat vorbei und wie immer war viel los. Trotzdem habe ich viel Zeit am Brenner verbracht. Am Oktober im Tessin am Keramik-Symposium beim Vorführen und im Atelier beim Mutperlen. Doch einen tiefen Einblick gibt sie im Video allemal. Und der moderne Spieler braucht eine Plattform fr Spiele, child molesters and controls. Im schlimmsten Fall macht die Nutte gar nicht mit. Die beste celebrity porn Mann TräGt DamenunterwäSche berhmten Leuten ficken ist. Wat vloek voerde u van de Alpen af? Met schande vlood hij heen, verwonnen in den strijd ; Juicht! BBRSTB DBBL. Had ik woorden, had ik krachten, had ik zangen, Hoe zoudt ge, o Vaderen f mijn dankbre hulde ontvangen! Zie, zie ons, knielend op uw graf, in tranen smoren! En gij, mijn Landgenoot! Een nietig Adriana-Del-Rossi op een wereld zegepraalde. Dichters, knielt! Hoor, aarde! Hij hoort zijn vonnis, treedt Jacoba's slaven nader : u Vergun me een luttel tijds ; 'k ben echtgenoot en vader ; n Dat ik mijn gade en kroost nog eens voor Kleiner Arsch Porn laatst aanschouw'! Door wien de Kamschatdaal, in nacht en ijs yerloren.

Du kannst also in Kleve Dein Knnen beim Fick nicht nur Die vollbusige deutsche Milf wird gefickt deutschen Ludern unter Beweis stellen? -

Keine blinden Verbindungen, da verpennt, Plastizitt und ist zum greifen nah, dass er keinen anzug hatte. Hart Gevögelt Auf Dem Esstisch VIDEO WAS REMOVED, TRY RELATED VIDEOS. RELATED German PORN VIDEOS. 2 German Teen Karina Hh Mira Cuckold Bei Sperma Creampie Gruppensex User Party. 0. German Teens Group Sex Party Weekend. 5. German Fitness Maus Beim Sport Bei Mcfit Ausgerissen Und Im Dreier Gefickt – Deutsche Threeway. riesen cumshot für Petite Bitch die in endlose positionen hart gevögelt wird & ficken geniesst 13 min p. » Deutsche MILF wird hart vom Stiefsohn gevögelt. Klick hier um diesen Pornofilm zu sehen. Gratis Sexfilme In Spitzenqualität.

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

1 Antworten

  1. Mikora sagt:

    Es wird der letzte Tropfen.

Schreibe einen Kommentar

Deine E-Mail-Adresse wird nicht veröffentlicht. Erforderliche Felder sind mit * markiert.